Lire en français!

Introduction

Bonjour, les élèves!

 

Bienvenue! Zoals al uitgelegd tijdens de les, gaan jullie met een WebQuest aan de slag om te oefenen met je Franse leesvaardigheid, met als doel om aan het einde van periode 2 een leestoets te kunnen maken op A2-niveau. A2-niveau is het niveau waarop je eigenlijk pas gaat lezen in klas 2, maar hoe gaaf is het als jullie dit niveau nu al kunnen bereiken? :) We gaan in ieder geval ons best ervoor doen!

Deze WebQuest heeft dus voor jou als doel dat je veel teksten gaat lezen en hieromheen verschillende informatie gaat opzoeken. Als eindproduct maak je in de les een leestoets.

Elke week ga je, in ieder geval, één korte tekst lezen en hier vragen bij beantwoorden.

Als onderdeel van de introductie, ga je eerst aan de slag met de leesstrategieën. We gaan dit tijdens een les ook behandelen, maar het zou nóg beter zijn als jullie eerst zelf informatie op gaan zoeken over lezen in het Frans.

Doe hiervoor het volgende:

1. Ga op YouTube zoeken naar een filmpje van max. 5 minuten waarin leesstrategieën worden uitgelegd.

2. Sla de link op.

3. Geef antwoord op de volgende vragen:

- Welke leesstrategieën zijn er?

- Noem iets uit het filmpje wat jij al wist

- Noem iets uit het filmpje dat jij nieuw hebt geleerd

 

Bonne chance!

Task

Hieronder zie je drie korte tekstjes staan met vragen. Maak deze in Word en sla de bijlage op je laptop op onder het vak Frans.   

Deze tekstjes zijn de start van jouw leesproces.                                                                                                                                                

Texte 1: écris-moi

Bonjour!

Je m’appelle Sandra.

J’habite à Amsterdam.

Amsterdam, c’est cool!

Voilà une photo. C’est moi, devant un théâtre de musique à Amsterdam.

Moi, j’aime le jazz.

Toi aussi, tu aimes le jazz?

Et tu habites en France?

Écris-moi!

Sandra, 14 ans

 

Salut!

Je m’appelle Léo. J’habite à Metz. J’aime le football et le tennis. À Metz, le club de football est gratuit, c’est cool! Voilà une photo. C’est moi.

Toi aussi, tu aimes le football et le tennis? Et tu habites au Luxembourg?

Écris-moi!

Léo, 13 ans

 

Bonjour!

Je m’appelle Yvette.

J’habite à Paris, dans un appartement. Paris, c’est super! Voilà une photo.

C’est moi. Le garçon, c’est Tony. Tony habite aussi à Paris. C’est un garçon spécial!

Moi, j’aime le cirque. Tu habites dans un cirque?

Écris-moi! Au revoir!

Yvette, 14 ans

 

  1. Lis le texte “Écris-moi” une fois et regarde les images ci-dessous. Complète les phrases.

 

 

Afbeelding met tekst, atletiekwedstrijd</p>
<p>Automatisch gegenereerde beschrijving      

 

  1. Sandra staat op plaatje _________
  2. Léo staat op plaatje       _________
  3. Yvette staat op plaatje  _________

 

  1. Lis le texte encore une fois et regarde les images. Choisis la bonne réponse.

 

  1. Sandra staat “devant un théâtre de musique”. Wat betekent “devant”?

 A     in

 B     voor

 C     op

 

  1. Waar woont Léo?

 A     in Parijs

 B     in Metz

 C     in Luxemburg

 

  1. In wat voor huis woont Yvette?

 A     een boerderij

 B     een flat

 C     een rijtjeshuis

 

  1. Réponds aux questions en néerlandais.

 

  1. Hoe vindt Sandra het, om in Amsterdam te wonen?

_____________________________________________________________________________________________________________

  1. Welke twee dingen wil Sandra van jou weten?

_____________________________________________________________________________________________________________

  1. Wat is er bijzonder aan Léo’s “club de football”?

_____________________________________________________________________________________________________________

  1. Welke twee dingen wil Léo van jou weten?

_____________________________________________________________________________________________________________

  1. Wat vindt Yvette van Tony?

____________________________________________________________________________________________________________

  1. Met wie wil Yvette schrijven?

_____________________________________________________________________________________________________________

 

Process

Lekker bezig, je bent alweer beland bij tekst 2! Deze week ga je, uiteraard, weer een tekst lezen, maar je gaat ook een bijpassende opdracht maken (zie stap 2).

Stap 1: maak de leestekst die hieronder staat

Stap 2: bij deze leestekst ga je een bijpassend, Franstalig artikel zoeken. Let op: het is dus echt belangrijk dat het artikel in het Frans geschreven moet zijn. Voor het zoeken naar artikelen: denk aan kranten, nieuwssites, de site van het Franse Jeugdjournaal, etc.

Stap 3: zorg ervoor dat jouw artikel, volgens jou, past bij de tekst. Jij mag zelf bepalen waarom het artikel bij de tekst past.

Stap 4: in de les laat je het artikel zien dat je hebt gekozen en leg je, in het Nederlands, uit waarom dit artikel goed past bij de leestekst.

 

Une journée de vacances!

Je suis en vacances ! J’en profite pour faire une grasse-matinée et je sors de mon lit à dix heures. Je prends mon petit-déjeuner dans la cuisine. Je mange deux tartines de pain, un grand bol de café et un yaourt aux fruits rouges.

Je vais ensuite prendre ma douche dans ma salle-de-bain. J’enfile une jolie robe et je pars rejoindre mes amis au centre commercial.

J’achète un livre, un pantalon et une nouvelle lampe pour ma chambre.

Il est l’heure de déjeuner ! Nous allons au restaurant. Je commande du poisson avec de la purée. Cet après-midi, mes amis et moi allons au cinéma. Après avoir bu une tasse de thé dans un café, je rentre chez moi en bus.

J’ai passé une très bonne journée de vacances. Vivement demain !

 

Réponds aux questions.

Hoe laat is het, als de schrijver uit bed gaat?

A. 10:00 uur

B. 9:00 uur

C. 11:00 uur

D. 12:00 uur

Waar neemt de schrijver zijn ontbijt?

A. In zijn badkamer

B. In zijn keuken

C. In zijn kamer

D. In zijn bed

Waar ontmoet de schrijver zijn vrienden?

A. Bij hem thuis

B. In de bioscoop

C. In het winkelcentrum

D. In het restaurant

Wat eet de schrijver bij het ontbijt bij zijn yoghurt?

A. Yoghurt met muesli

B. Yoghurt met thee

C. Yoghurt met koffie

D. Yoghurt met rode vruchten

Voor welke kamer heeft de schrijver een nieuwe lamp gekocht?

A. Zijn slaapkamer

B. Zijn woonkamer

C. Zijn keuken

D. Zijn badkamer

Evaluation

Salut, topper! Het is alweer tijd voor tekst 3!

Vorige week heb je een artikel gezocht op Internet, bijpassend bij de leestekst. Verder heb je tot nu toe twee teksten online gelezen en je hebt informatie opgezocht over leesstrategieën. Gedurende de lessen hebben we de leesstrategieën behandeld, jullie hebben elkaars artikelen bekeken en we hebben een tekst samen gelezen. Kortom: we zijn goed op weg! :)

Lees de tekst en maak de opdrachten. Deze tekst zul je, wellicht, iets moeilijker vinden dan de teksten die je tot nu toe hebt gelezen. Maar, geen zorgen: ik ben ervan overtuigd dat jij het kunt!

Nadat je de tekst hebt gemaakt, ga je antwoord geven op onderstaande reflectievragen. Reflectie betekent, dat je gaat nadenken over hoe iets is gegaan. In het geval van deze WebQuest ga je dus nadenken over hoe het lezen is gegaan.

Reflectievragen

1. Wat ging goed, de afgelopen periode? Noem minimaal één ding.

2. Wat ging minder goed? Noem minimaal één ding.

3. Wat zou je een volgende keer beter willen doen, als je weer een leesproject gaat doen?

4. Wat heb je nieuw geleerd?

5. Wat vond je leuk aan dit project?

6. Wat vond je minder leuk?

 

Ma ville

J'habite une belle ville dans le nord de la France. Il y a un quartier très agréable pour aller se balader, lorsqu'il fait beau. Il est possible de faire du vélo dans un parc autour d'une citadelle fortifiée.

Dans le centre de la ville, il y a un très joli quartier, plein de magasins chics et de bons restaurants. Pour se déplacer, il y a des bus, des vélos et un métro. C'est pratique pour aller d'un centre commercial à un autre, pour aller à l'école, à la piscine, au stade ou encore au théâtre, parce que la ville est très grande.

Il est agréable de marcher dans les petites rues pour admirer l'architecture des maisons anciennes.

Réponds aux questions.

Is het makkelijk om zich te verplaatsen, in de stad?

A. Ja, er zijn meerdere transportmiddelen, zoals de fiets of de motor.

B. Ja, er zijn meerdere transportmiddelen, zoals de bus of de metro.

C. Ja, er zijn meerdere transportmiddelen, zoals de fiets of de elektrische step.

D. Ja, er zijn meerdere transportmiddelen, zoals de bus of de boot.

Wat is een mogelijke activiteit om in de stad te doen?

A. Wandelen.

B. Paardrijden.

C. Klimmen.

D. Zwemmen.

Waar ligt de stad, waar het over gaat in de tekst?

A. In Spanje.

B. In Duitsland.

C. In België.

D. In Frankrijk.

Waar omheen kun je leuk fietsen?

A. Een gemeentehuis.

B. Een versterkte citadel.

C. Een groot kasteel.

In welk gedeelte van het land bevindt de stad zich?

A. In het oosten.

B. In het westen.

C. In het noorden.

D. In het zuiden.

Conclusion

Zo, het project leesvaardigheid en leeskilometers maken, zit er alweer op! 

Je bent nu klaar voor de toets leesvaardigheid. Deze toets wordt in de les afgenomen.

Ik hoop dat je het plezierig hebt gevonden om via deze manier aan jouw leesvaardigheid te werken. 

Merci!

Credits